fbpx

Auschwitz I

Het Kamporkest
De eerste kamporkesten werden al in 1933 in de concentratiekampen opgericht die zich op het grondgebied van het Derde Rijk bevonden. Ook de kampleiding van Auschwitz gaf in 1941 toestemming voor de oprichting van een mannenorkest in het begin bestaande uit Poolse politieke gevangenen, vervolgens uit gevangenen met een andere nationaliteit, waaronder Joden. Het mannenorkest speelde in Auschwitz I marsmuziek voor het keukengebouw. Vanuit het gezichtspunt van de nazi’s vervulde de muziek in het kamp vele nuttige rollen, vooral verbeterde het de marsdiscipline tijdens het uitrukken van het arbeidscommando naar hun werkzaamheden en de terugkeer naar het kamp. Tot de taken van het orkest behoorde ook het geven van concerten, meestal ’s zondags voor de SS’ers, soms voor de gevangenen. Er bestonden mannenorkesten in de kampen Auschwitz I, Auschwitz II-birkenau en Auschwitz III-Monowitz en in enkele subkampen. Het enige vrouwenorkest speelde in het vrouwenkamp in Birkenau.

Blok 4

De vernietiging

Zaal 1
Rechts naast de ingang een kaart van Europa met daarop aangegeven de belangrijkste plaatsen van waaruit de treinen met gedeporteerden – hoofdzakelijk Joden – vertrokken. Aan de linkerkant een bord met de aantallen gedeporteerden naar Auschwitz. Eveneens aan de linkerkant een urn met de as van de vermoorden. De as werd na de oorlog in de buurt van de crematoria op het terrein van Birkenau verzameld. Op de wanden aan de rechterkant borden met citaten uit toespraken van nazi’s waarin zij opriepen tot “de bevrijding van het Duitse volk van Polen, Russen, Joden en Zigeuners”en de “uitroeiing van het Joodse ras”. Bij de uitgang van de zaal bevinden zich archieffoto’s van Hongaarse Joden gemaakt door de SS in 1944 in Birkenau.

Zaal 2
Aan de linkerkant naast de ingang een bord waarop de chronologie van de deportaties naar Auschwitz van verschillende groepen gevangenen en hun aantallen zijn aangegeven, alsmede foto’s van gearresteerden of geëvacueerde. In de tafelvitrines Duitse documenten verbonden met het sturen van gevangenen naar Auschwitz, en tevens kampdocumenten en berichten van de verzetsbeweging in het kamp.

Zaal 3
Unieke archieffoto’s gemaakt door SS’ers in het kamp Birkenau in de lente van 1944. In deze periode deporteerden de Duitsers circa 430.000 Joden uit Hongarije naar Auschwitz. Op de foto’s is o.a. de aankomst van het transport, het scheiden van gezinnen, het vormen van colonnes, de uitvoering van de selectie van de nieuwkomers door SS’ers en personen die rechtstreeks naar de gaskamers lopen. Aan de linkerkant het model van een goederenwagon. In zulke wagons deporteerden nazi’s de Joden naar de vernietigingscentra. Bij de uitgang van de zaal een kaart waarop de ligging van de drie hoofdkampen van Auschwitz en enkele subkampen is weergegeven, evenals de plaatsen van de massavernietiging, de executies, de spoorlijn en het perron waarop de gedeporteerden aankwamen.

Zaal 4
Rechts unieke foto’s in het geheim door Joodse gevangenen van de Sonderkommando in 1944 op het terrein van Birkenau gemaakt waarop naakte vrouwen te zien zijn voordat ze de gaskamers ingingen, maar ook het verbranden van lijken op een brandstapel. Recht tegenover de ingang een model van een gaskamer en een crematorium. Links blikken waarin zich Zyklon B bevond.

Zaal 5
In deze ruimte is een van de meest angstaanjagende bewijzen van de alhier gepleegde misdaden te zien – bijna twee ton vrouwenhaar die van de slachtoffers werden afgeknipt. Rechts naast de ingang bevindt zich een rol haardoek gemaakt van mensenhaar.

Zaal 6
Links naast de ingang een bekendmaking die Duitse Joden informeert over hun deportatie naar het Oosten met een overzicht van voorwerpen, die zij mogen meenemen. In het midden van de zaal geallieerde luchtfoto’s uit 1944 met daarop gemarkeerd de ligging van het moederkamp en het kamp Birkenau aan de magazijnen “Kanada”. Aan de andere kant een foto gemaakt door soldaten van het Rode Leger na de bevrijding van het kamp. Aan de wanden foto’s gemaakt door SS’ers: lege wagons en gevangenen en bij het sorteren van de door de gedeporteerde Joden meegebrachte bezittingen die zij op het perron in Birkenau hadden achtergelaten; kampmagazijnen waar deze goederen tijdelijk werden opgeslagen.

Vrouwen in KL Auschwitz
In totaal waren er in het complex Auschwitz ruim 130.000 vrouwelijke gevangenen geregistreerd, hoofdzakelijk: Joodse vrouwen (82.000), Poolse vrouwen (31.000) en Roma vrouwen (11.000); onder de overige nationaliteiten bevonden zich o.a.: Russische, Wit-Russische, Oekraïense, Duitse, Franse en Tsjechische vrouwen. Vrouwen vormden – ongeveer 30% van de ca. 400.000 in het kamp geregistreerde gevangenen. Enkele honderdduizenden Joodse vrouwen die tijdens de selecties op het perron arbeidsongeschikt werden verklaard – ouderen, gehandicapten, zieken of vrouwen met kleine kinderen en zwangere – werden direct na aankomst in de gaskamers vermoord.

Blok 5

Bewijzen van de misdaden

Toen tegen het einde van de oorlog de troepen van het Rode Leger dichterbij kwamen, probeerden de nazi’s de sporen van hun misdaden uit te wissen door ijlings de magazijnen met geplunderde Joodse bezittingen te ontruimen. In dit blok bevindt zich een klein deel van de bezittingen die de Duitsers niet meer konden vernietigen of diep in het Derde Rijk hebben kunnen sturen. Dagelijkse gebruiksvoorwerpen meegenomen door de gedeporteerden getuigen ervan dat de tot vernietiging gedoemden zich er niet van bewust waren, wat hen wachtte na aankomst in Auschwitz.

Zaal 1: Brillen

Zaal 1: Protheses

Zaal 2: Tallitot

Zaal 3: Potten en dagelijkse gebruiksvoorwerpen

Zaal 4: Koffers

Zaal 5: Schoenen

Zaal 6: Tandenborstels en scheerkwasten

Blok 6

Het leven van de gevangenen

Zaal 1
Rechts naast de ingang een tekening die de “begroeting” van nieuw aangekomen gevangenen door SS’ers verbeeldt. Aan de wand recht tegenover de ingang tekeningen die de ontvangstprocedure naar het kamp illustreren (het wegnemen van persoonlijke bezittingen, het wassen, het knippen) en een bord met een overzicht van de door de gevangenen op de streepjespakken gedragen merktekens, die zich van elkaar onderscheiden afhankelijk van de reden waarom men naar het kamp werd gestuurd. Bij de uitgang van de zaal een vitrinekast met originele gevangeniskleding.

Gang
Kampfoto’s van vrouwen en mannen voorzien van de volgende gegevens: kampnummer, achternaam, voornaam en geboortedatum, beroep, datum van aankomst in het kamp en overlijdensdatum. Alle vrouwen en mannen die op de foto’s te zien zijn, zijn in het kamp overleden.

Zaal 2
Aan de linkerkant grote foto’s van uitgemergelde kinderen en vrouwen gemaakt na de bevrijding van het kamp. In het midden een tafelvitrine met een gipsen model van een dagelijkse voedselportie. Bij het verlaten van de zaal (aan de linkerkant) een sculptuur van Mieczyslaw Stocbierski getiteld “Honger”.

Zaal 3
Schilderijen van Mieczyslaw Koscielniak en Wladyslaw Siwek, voormalige gevangenen van Auschwitz, waarop het dagelijkse leven in het kamp te zien is.

Zaal 4
Aan de linkerkant foto’s van kinderen gemaakt tijdens hun registratie in het kamp. Hieronder in de tafelvitrine kinderkleding gevonden op het kampterrein na de bevrijding. Recht tegenover de ingang een foto van vier meisjes, slachtoffers van de medische experimenten van dr. Josef Mengele. Links een sculptuur van de hand van Anna Raynoch-Brzozowska getiteld: “Moeder en Kind”. Aan de wand tegenover de ramen foto’s van Joodse gezinnen gemaakt door SS’ers op het perron in Birkenau. Bij de uitgang van de zaal twee frames uit een film die door soldaten van het Rode Leger (na de bevrijding van het kamp) gedraaid werd en waarop bevrijde kinderen en hun verzorgers te zien zijn.

Kinderen geboren in het kamp
Vanaf maart 1942 begonnen de Duitsers vrouwen naar Auschwitz te sturen, onder hen ook zwangere. Gedurende ruim een jaar werden alle in het kamp geboren kinderen vermoord, meestal via een injectie met fenol of door verdrinking in een emmer water. Vanaf medio 1943 werden de kinderen geborene door vrouwen van niet Joodse afkomst in leven gelaten – deze werden geregistreerd en van kampnummers voorzien. Kinderen van Joodse gevangenen werden tot begin november 1944 gedood, toen de Duitsers de massavernietiging van de Joden in Auschwitz stopgezet hadden. Een uitzondering hierop vormden het zog. Gezinskamp voor Joden uit Theresienstadt en het zog. Zigeunerkamp waar de pasgeborenen niet werden vermoord. Desondanks kwamen al deze kinderen tijdens de liquidatie van beide kampen in de zomer van 1944 om. In totaal werden er in Auschwitz tenminste 700 kinderen geboren, ruim 60 van hen maakten de bevrijding mee.

Blok 11

De binnenplaats
Recht tegenover de ingang de zog. dodenmuur waar executies door de kogel plaatsvonden. Aan de rechterkant bevindt zich de zijdeur van blok 11 waar door de ter dood veroordeelden naar buiten gebracht werden. De ramen van de cellen en de zalen op de etage zijn zo gebouwd dat de zich daar bevindende gevangenen de executies niet konden observeren. OM dezelfde redenen werden de ramen van blok 10 aan de overkant met planken dichtgetimmerd. Bij de muur van dat blokt zijn de verticaal in de grond geplaatste balken te zien met een haak aan het bovenste gedeelte waar aan het zog. paalbinden uitgevoerd werd. De gevangenen werden met de handen op de rug vastgebonden en ze werden zo aan de haak gehangen dat ze de grond niet met hun voeten konden aanraken.

De kampgevangenis
Het vervulde enkele functies, maar was vooral het kamparrest. Op de begane grond en op de etage werden hier – in verschillende periodes – o.a. vastgehouden: gevangenen van de strafcompagnie, politiegevangenen (door de Gestapo gearresteerde Polen) en gevangenen in afwachting van hun vrijlating. Vanaf 1943 vonden hier zittingen van het Duitse standrecht plaats. In de kelder werden gevangenen opgesloten die o.a. verdacht werden van verzetsacties of contacten met de burgerbevolking. Er verbleven hier ook burgers die aan gevangenen hulp verleend hadden en opgepakte kampvluchtelingen. In de cellen werden ook gevangenen opgesloten die tot de hongerdood veroordeeld waren als represaille voor de vlucht van een medegevangene. Begin september 1941 hebben de nazi’s in de kelders een eerste poging tot massamoord met Zyklon B ondernomen. Op de binnenplaats van het blokt werden executies door de kogel en door de strop doorgevoerd, maar ook straffen als het zog. paalbinden en stokslagen uitgevoerd.

Begane grond
In de eerste zaal aan de linkerkant (zaal 2) vonden de zittingen van het Duitse standrecht plaats. Tegenover bevindt zich het bureau van de dienstdoende SS’er (zaal 1). In de volgende ruimten wachtten de politiegevangenen op de terechtzitting: de mannen in de zalen 5 en 3, en de vrouwen en kinderen in zaal 4. Aan de wand van zaal 3 bevindt zich een foto met de lijken van gevangenen gemaakt na de bevrijding. Zaal 7 is een ruimte bestemd voor gevangenen met speciale functies. Verder wasruimten waar zich de ter dood veroordeelden uitkleedden, vrouwen en kinderen (zaal 6) en mannen (zaal 8) apart. Voor de tralies links bevindt zich de uitgang naar de dodenmuur waar de veroordeelden doorheen geleid werden; recht de trap naar de etage en naar de kelder.

Kelder
Recht naast de ingang, in de kleine gang aan de linkerkant, bevindt zich cel nr. 18, waarin de ter hongerdood veroordeelden werden opgesloten als represaille voor de ontsnapping van een medegevangene. Hier overleed o.a. de Poolse franciscaan, pater Maximiliaan Kolbe die vrijwillig de plaats innam van een tot deze dood veroordeelde gevangene. Cel 20 is de zog. donkere kamer met een beperkte toevoer van lucht en licht. Aan de overkant van de gang, in de ruimte voorzien van nummer 22, bevonden zich de stacellen (reconstructie). In elk van hen werden er gedurende 3 – 10 nachten vier gevangenen opgesloten die ’s ochtends weer aan het werk moesten.

In de kelders van het gebouw werd in september 1941 de eerste poging tot massale doding, van mensen met gebruik van het gifgas Zyklon B gedaan. De SS’ers vermoordden toen circa 600 Poolse gevangenen.

Blok 20

De ziekenboeg

In de eerste ruimte aan de linkerkant is de behandelkamer (Duits: Behandlungszimmer). Hier werden enkele duizenden personen vermoord door fenolinjecties in het hart. Er tegenover een lege ruimte met het opschrift “Baderaum” (Duits voor: wasruimte). Het overige gedeelte van de begane grond herbergt de tentoonstelling getiteld “Gedeporteerden uit Frankrijk naar KL Auschwitz van 27 maart 1942 – 27 januari 1945”.

Etage
Het inleidende deel van de tentoonstelling geeft de algemene situatie in België in de oorlogsjaren weer, onder andere de bezetting van het land door de Duitsers en de invoering van het militair bestuurd, het verzet en collaboratie. Vervolgens wordt ingegaan op de vervolging van de Joodse bevolking. Het hoofddeel van de tentoonstelling omvat de deportatie naar Auschwitz aan de hand van de lotgevallen van enkele personen. Naast hun vooroorlogse portretten bevindt zich informatie over het transportnummer, het aantal gedeporteerden hieronder degenen die meteen na aankomst werden vermoord, die naar het kamp werden gestuurd en die het overleefd hebben. Elk transport wordt op een afzonderlijk informatiebord beschreven, waarop ook aanvullende informatie over de deportaties te vinden is.

De groepsgalg
Voor de kampkeuken bevindt zich een reconstructie van de groepsgalg. Ernaast op de wand van het gebouw een bord met foto’s van gevangenen en een tekening van een voormalige gevangene van Auschwitz, Jerzy Adam Brandhuber, waarop de executie van deze gevangenen te zien is

De appelplaats
Voor de kampkeuken bevindt zich een reconstructie van de groepsgalg. Ernaast op de wand van het gebouw een bord met foto’s van gevangenen en een tekening van een voormalige gevangene van Auschwitz, Jerzy Adam Brandhuber, waarop de executie van deze gevangenen te zien is

De plaats van executie van de kampcommandant
Op een verhoging is de galg te zien. Links ervan de eerste gaskamer en het crematorium. Tegenover de galg: het gebouw gelegen tegenover de gaskamer diende als SS-ziekenhuis, de twee overige behoorden aan de kampadministratie en het hoofdkwartier toe.

Gaskamer en crematorium I
Omringd door een lage aarden wal bevindt zich het lage gebouw buiten de omheining van het kamp. Een bakstenen schoorsteen is ermee verbonden. Binnenin bevinden zich enkele ruimten. De grootste is de voormalige gaskamer, waar in het plafond de opening te zien zijn. In de ruimte ernaast bevinden zich twee crematoriumovens en trolleys voor het lijkenvervoer.

Blok 21

De inleiding op de tentoonstelling wordt gevormd door scénes uit het leven van de Joodse gemeenschap in Nederland voor de vernietiging. Ook de geschiedenis van kamp Westerbork wordt beschreven van waaruit bijna 55.000 Nederlandse Joden naar Auschwitz werden gedeporteerd. Op de tentoonstelling wordt onder andere een documentaire getoond die tijdens het formeren en doorsturen van een van de transporten werd gedraaid. Een van de elementen van de tentoonstelling is een wand met de achternamen van gedeporteerden waar kennis gemaakt kan worden met de biografieën van sommige personen.

Blok 22

De inleiding op de tentoonstelling wordt gevormd door scénes uit het leven van de Joodse gemeenschap in België voor de vernietiging. Ook de geschiedenis van kamp Breendonck en doorvoerkamp Mechelen. Ongeveer 24.000 duizend mensen zijn gedeporteerd naar Auschwitz.  De tentoonstelling laat een duidelijk overzicht zien van het aantal transporten en aantal mensen die er per datum gedeporteerd zijn.

Auschwitz II – Birkenau

De rol van het kamp
Birkenau Met de bouw van het kamp begonnen de Duitsers in het najaar van 1941 in de buurt van het geëvacueerde Poolse dorp Brzezinka (Duits: Birkenau), op een afstand van drie kilometer van Auschwitz I. Gepland als een kamp voor Sovjet-krijgsgevangenen, werd Birkenau uiteindelijk:

Het grootste centrum van de Jodenvernietiging in het kader van de door de nazi’s gerealiseerde “defi nitieve oplossing van de Joodse kwestie”. Vanaf de eerste helft van 1942 werden in de buurt van het kamp de twee eerste provisorische gaskamers in werking gesteld. Een jaar later namen de Duitsers in het kamp zelf vier grotere gaskamers met crematoria in gebruik;

het grootste Duitse nationaalsocialistische concentratiekamp voor gevangenen van verschillende nationaliteiten. In de zomer van 1944, tijdens de grootste toename van de transporten van Joden uit Hongarije en het bezette Polen, bevonden er zich in Birkenau circa 90.000 gevangenen: 69.000 Joden, 13.000 Polen en 8.000 gevangenen met een andere nationaliteit.

De toegangspoort
De poort, waardoor vanaf medio mei 1944 de treinen met de naar hun vernietiging gedeporteerde Joden binnenreden, vervulde ook de functie van hoofdwachtpost van de SS. De treinen stopten bij het perron als middelpunt van het kamp. Aan de rechterkant, op de voorgrond, een rij houten barakken (het zog. Quarantainekamp). Link – stenen barakken (de zog. sector BI). Langs de prikkeldraadomheining een reeks houten wachttorens.

Het perron
Het spoorwegperron bevindt zich tussen twee omheinde delen van het kamp, de zog. sectoren BI en BII. De er langs lopende weg leidt van de hoofdpoort naar de gaskamers en crematoria nr. II en III. In de berm, aan de linkerkant, zijn twee brandblusreservoirs te zien. Het perron wordt ter hoogte van de wagon loodrecht gekruist door de zog. hoofdweg die rechtsaf richting de gaskamers en crematoria nr. IV en V en sector BIII voert en in tegenovergestelde richting naar het terrein van sector BI (naast de houten barak – SS-wachtpost).

Het spoorwegperron van Auschwitz
De spoorwegen waren het belangrijkste transportmiddel voor de Duitsers tijdens de deportaties naar Auschwitz. In de jaren 1940 – 1941 kwamen de treinen op een perron naast Auschwitz I aan. Daar werden toen hoofdzakelijk Polen aangevoerd. Het tweede perron, de zog. Judenrampe, bevond zich tussen de kampen Auschwitz I en Birkenau. In de lente van 1944 werd deze rol overgenomen door het nieuwe perron in Birkenau dat zich direct voor de gaskamers bevond. Dit maakte het mogelijk het vernietigingsproces te versnellen en te vereenvoudigen – voorheen werden de ter dood veroordeelden, onder escorte van SS’ers, met vrachtwagens of lopend naar de gaskamers gebracht.

De ruïnes van de gaskamers en de crematoria II en III
Aan de beide uiteinden van het perron bevinden zich de ruïnes van de gaskamers en creamtoria. Naast het crematorium II zijn twee vijvers te zien waarin menselijke as werd verstrooid. Enkele tientallen meters van de ruïnes vandaan, aan de linkerkant, bevinden zich twee ronde gebouwen van rood baksteen – de mechanisch-biologische rioolwater-zuiverinstallatie.

Crematoria
Auschwitz was het enige vernietigingscentrum waar de lijken van vermoorde Joden op zo’n massale schaal in moderne en rendabele crematieovencombinaties werden gecremeerd, en niet alleen in brandkuilen of op brandstapels, zoals dat in de centra Treblinka, Sobibór en Belzec plaatsvond. Uit een rapport dat in 1943 door het bouwkundig bureau van de SS in het kamp blijkt dat het rendement van alle vijf crematoria van Auschwitz per etmaal 4.756 lijken bedroeg.

Het monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers
Aan het einde van het spoorwegperron, op een afstand van 800 meter van de hoofdpoort, tussen de ruïnes van de gaskamers bevindt zich het monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van Auschwitz. Het monument werd in 1967 op het terrein van het voormalige kamp Birkenau opgericht. Het monument verspert fysiek en symbolisch de weg die in oorlogstijd naar de gaskamers leidde. Op het monument zijn 23 gedenkplaten aangebracht met een tekst in de hoofdtalen waarvan de naar Auschwitz gedeporteerden gebruik maakten: Landino, Wit Russisch, Tsjechisch, Duits, Frans, Grieks, Hebreeuws, Kroatisch, Italiaans, Jiddisch, Hongaars, Noors, Pools, Russisch, Romani, Roemeens, Slowaaks, Servisch, Oekraïens, Sloveens, Luxemburgs, Engels en Nederlands.

Het hoofdbadhuis van het kamp – de “Sauna”
Het gebouw van het hoofdbadhuis, de zog. Sauna, waarin ook installaties voor de desinfectie van kleding en ondergoed ondergebracht zijn, bevindt zich vlak bij de gaskamers en de crematoria IV en V en in de buurt van de magazijnen, waarin de Duitsers de van de slachtoffers geroofde bezittingen verzamelden.

Opslag voor buitgemaakte spullen – “Kanada”
Het magazijnencomplex, door de gevangenen “Kanada” genoemd, bevond zich tegenover het gebouw van het hoofdbadhuis, de zog. Sauna. Geen van deze barakken zijn bewaard gebleven. De plaatsen waar deze zich bevonden zijn met genummerde marmeren stenen aangegeven als ook door een laag muurtje eromheen.

De ruïnes van de gaskamers en de crematoria IV en V
De ruïnes van de gaskamer IV en V bevinden zich aan de bosrand. In de nabijheid van de ruïnes van gaskamer en crematorium IV ligt een vijver – een van de plaatsen waar menselijk as werd verstrooid. Bij de ruïnes van gaskamer en crematorium V zijn foto’s geplaatst die in het geheim door Joodse gevangenen van het Sonderkommando in de zomer van 1944 werden gemaakt en die het kamp uitgesmokkeld werden met behulp van het Poolse verzet, om de wereld te informeren over de in Auschwitz begane misdaden.

Menselijke as
Na het fijnmalen van de onverbrande botten werd de as op vrachtwagen geladen en in de Weichsel gestrooid. Restanten van menselijke as zijn tot op de dag van vandaag aanwezig op het gebied van de crematoria en de brandkuilen.

Opstand in het Sonderkommando
De lichamen van de vermoorden werden uit de gaskamers gehaald door Joodse gevangenen van het Sonderkommando (Duits: speciaal commando) die hiertoe door de Duitsers werden gedwongen. Voor het verbranden van de lijken ontdeden de gevangenen hen van tandheelkundige metalen, sieraden en knipten het haar van vrouwen af. In oktober 1944 vond er een opstand in het Sonderkommando plaats. De gevangenen vielen SS’ers aan en brachten beduidende schade toe aan het crematoriumgebouw IV. Sommigen lukte het om buiten de kampomheining te geraken, echter tijdens de achtervolging werden alle gevluchte gevangenen gedood. Als gevolg van de opstand vonden 450 gevangenen en 3 SS’ers de dood.

De barakken van Birkenau

Stenen barakken
Bestemd voor 700 personen – binnen bevonden zich 60 stapelbritsen van drie hoog. Elk van de 180 ligplaatsen was theoretisch voor vier personen bedoeld (in de praktijk lagen er 6-7 personen). De gevangenen sliepen op stro verdeeld over de ligplaatsen, zonder kussens, in de periodes waarin de barakken overvol waren, moesten meerdere personen onder één deken slapen. Kleine kachels dienden als verwarming, maar waren niet in staat genoeg warmte op te wekken.

Houten barakken
Bestemd voor 400 personen – zonder ramen, het licht kwam naar binnen door daklichten. In 18 rijen bevonden zich bedden of britsen van drie hoog bestemd voor 15 gevangenen. De gevangenen sliepen op strozakken. Ze hadden dekens om zich toe te dekken. Het verwarmingssysteem bestond uit twee kachels verbonden aan een schoorsteenpijp die door de hele lengte van de barak liep, maar die vanwege de grootte van het vertrek en de slechte isolatie zijn rol niet vervulde. De beperkte toegang tot sanitaire installaties en de overbevolking leidden ertoe dat luizen en ratten tot een plaat werden – in het kamp braken vaak epidemieën van bestemettelijke ziekten uit.

De indeling van het kamp Birkenau

Sector BI
In het najaar van 1941 werd begonnen met de bouw van de eerste 30 stenen barakken. Er werd gebruik gemaakt van de bakstenen van de in de naburige dorpen gesloopte huizen, toebehorend aan de geëvacueerde Polen. Vanaf de lente 1942 werd er in sector BI ook begonnen met de montage van houten Duitse veldstallen, die naar Birkenau gebracht werden in de vorm van geprefabriceerde elementen. In de eerste sector (BIb) in maart 1942 werden de mannen ondergebracht, in de tweede sector (BIa) – in augustus 1942 – de vrouwen. Vanaf juli 1943 werd sector BI in zijn geheel een vrouwenkamp.

Sector BII
Sector BII omvatte zeven kampen (BIIa-g). Zij werden in de jaren 1943-1944 in gebruik genomen.

BIIa, het quarantaine-kamp voor mannen
Hier verbleven nieuw aangekomen mannen gedurende een enkele weken durende quarantaine. Het doel was om de nieuw aangekomen gevangenen te terroriseren en hen kennis te laten maken met de in het kamp geldende regels. Het functioneerde vanaf augustus 1943.

BIIb, het zog. gezinskamp voor Joden uit het getto in Theresienstadt (Familienlager Theresienstadt)
Het werd in september 1943 ingericht en de Duitsers hielden in dit kamp bijna 18.000 Joden uit het getto in Theresienstadt vast. De van hieruit door de gevangenen gecensureerde correspondentie met een van bovenaf dirigeerde inhoud moest de nog in het getto achtergebleven bloedsverwanten om de tuin leiden. De Joden werden hier met hele gezinnen tegelijk ondergebracht. In juli 1944 werd het kamp geliquideerd – SS’ers hebben toen 7.000 personen in de gaskamers vermoord.

BIIc, overgangskamp voor Joodse vrouwen in Hongarije
Het functioneerde vanaf mei 1944. Hier werden vrouwen vastgehouden die op transport naar andere concentratiekampen wachtten, terwijl ze honger leden en blootgesteld waren aan selecties. In oktober 1944 werd het kamp geliquideerd en de daar verblijvende vrouwen werden aan het vrouwenkamp toegevoegd.

BIId, mannenkamp
Het functioneerde vanaf juli 1943 en was bestemd voor arbeidsgeschikte mannen. Een bijzondere status hadden de extra omheinde en geïsoleerde barakken voor de gevangenen van de strafcompagnie en het Sonderkommando.

BIIe, het zog. gezinskamp voor zigeuners (Zigeunerfamilienlager)
Het functioneerde vanaf 1943. De gevangenen waren Sinti en Roma uit meerdere landen, hoofdzakelijk uit Duitsland en Oostenrijk, het Protectoraat Bohemen en Moravië en de bezette Poolse gebieden. Zij woonden in de barakken met hun gehele gezinnen. Het was er overbevolkt, er heerste honger en de sanitaire omstandigheden waren slecht. In augustus 1944 werden de ruim 3.000 zich daar nog bevindende vrouwen, kinderen en mannen door de Duitsers in de gaskamers vermoord. Op het terrein van het kamp had de SS-arts, dr. Josef Mengele, zijn laboratorium waarin hij medische experimenten uitvoerde op tweelingen, mensen die aan dwerggroi leden en personen met verschillende kleuren ogen.

BIIf, ziekenkamp voor mannen
Het functioneerde vanaf juli 1943, was overvol en slecht uitgerust. Er waren de volgende afdelingen: een chirurgisch, interne, dermatologische afdeling en een afdeling voor besmettelijke ziekten. Het beruchtst was blok nr. 12 waarin zieken werden ondergebracht zonder vooruitzicht op beterschap en waar systematisch voor de gaskamers werd geselecteerd.

Sector BIII (het zog. Mexiko)
Met de werkzaamheden rond dit kamp werd in 1943 begonnen en zij werden stilgelegd in de lente van 1944. Vanaf mei 1944 bevond zich hier een overgangskamp voor Jodinnen uit Hongarije. In het niet afgebouwde kamp, onder slecht omstandigheden, vaak in de open lucht, verbleven hier enkele duizenden Joodse vrouwen. In oktober werd het kamp geliquideerd en de nog in leven zijnde vrouwen werden naar het vrouwenkamp overgebracht.

Andere belangrijke plaatsen

Bunker nr. 1 – het “Rode Huisje”
De eerste provisorische gaskamer die door de Duitsers eind maart 1942 in gebruik werd genomen, bevond zich in de buurt van het zich in opbouw bevindende kamp Birkenau. In dit voor dit doel omgebouwde huis woonde oorspronkelijk een later geëvacueerd Pools gezin. Het stenen, niet bepleisterde gebouw werd vanwege de kleur van de muren door de gevangenen het Rode Huisje genoemd. De lichamen van de vermoorden werden aanvankelijk in massagraven begraven, en vanaf augustus 1942 in de open lucht verbrand. Na de ingebruikname van het complex van grote gaskamers en crematoria werd het gebouw gesloopt, het terrein geëgaliseerd en daar mee alle sporen gewist.

Begraafplaats van Sovjet-krijgsgevangenen
In oktober 1941 hielden de Duitsers in Auschwitz I circa 10.000 Sovjet-krijgsgevangenen vast. Zij moesten de huizen van de geëvacueerde Poolse bevolking slopen en andere zware werkzaamheden verrichtten bij het begin van de bouw van het kamp Birkenau. De brute behandeling en de lage temperaturen, de honger, de slechte sanitaire omstandigheden, ziekten en executies zorgen ervoor dat na vijf maanden er slechts enkele honderden krijgsgevangenen in leven waren. De lichamen van de vermoorden werden op de weide begraven waar zich nu het monument bevindt. Na enige tijd werden ze uitgegraven en verbrand. Van de 15.000 Sovjet-krijgsgevangenen die in totaal naar Auschwitz gebracht waren, kwamen er ruim 14.000 om het leven.

Bunker nr. 2 – het “Witte Huisje”
In juni 1942, toen er naar Auschwitz steeds meer transporten met Joden aankwamen, werd als tweede provisorische gaskamer een volgend gebouw van een geëvacueerd Pools gezin uitgekozen. De muren van het gebouw waren bepleisterd waardoor het door de gevangenen het Witte Huisje genoemd werd. Het functioneerde als gaskamer tot het moment waarop de grote gaskamers en crematoria in gebruik genomen werden (lente 1943). Het werd opnieuw in gebruik genomen in de lente van 1944 in verband met de deportatie van enkele honderdduizenden Joden uit Hongarije naar Auschwitz en de toename van de vernietigingsacties. Tegen het einde van 1944 werd het object afgebroken, er zijn slechts restanten van de fundering overgebleven. Op de achter de ruïnes zichtbare weide werden ze eerst nog begraven, daarna werden de lijken van de vermoorden verbrand. In de buurt bevinden zich de contouren van twee houten barakken waarin de slachtoffers zich uitkleedden voordat ze de gaskamers in geleid werden.

Het spoorwegperron – “Judenrampe”
Het spoorwegperron – (“Judenrampe”) was de plaats waar de naar Auschwitz gestuurde transporten in de jaren 1942-1944 aankwamen. De Duitsers brachten hier transporten van ruim een half miljoen Joden uit het bezette Europa, enkele tienduizenden Polen, maar ook Roma en anderen naartoe. De door een onbekende gevangene gemaakte tekening stelt o.a. de aankomst van het transport en de selectie op de “Judenrampe” voor. Dit document dat “Schetsblok uit Auschwitz” heet, bevat 22 tekeningen die tijdens de oorlog in een fles waren verstopt en die in 1947 op het terrein van Birkenau werden ontdekt.

Auschwitz III – Monowitz

Monowitz was het laatste van de drie grote kampen van het complex Auschwitz. Officieel was Auschwitz III een subkamp. Het werkkamp was gelegen in het dorp Monowice op ongeveer 10 kilometer van Auschwitz I. De gevangenen woonden in 59 houten barakken en één gemaakt van betonnen panelen. Elke barak was ingericht met 56 stapelbedden met drie niveaus.

Monowitz leverde dwangarbeiders voor de bouw van het naastgelegen fabriekscomplex. Ondanks de wat betere omstandigheden dan Birkenau stierven veel Monowitz gevangenen als gevolg van uitputting of aan de verwondingen tijdens de bouwwerkzaamheden.

De geallieerden bombardeerden de IG Farben fabrieken in Monowitz vier keer tijdens de oorlog. Het eerste bombardement was op 20 augustus 1944 door de US Army Air Force.

Na de bevrijding op 27 januari 1945 werd het voormalig kampterrein bebouwd. Diverse barakken en delen daarvan werden in gebruik genomen als schuur, garage of werkplaats. Slechts enkele barakken zijn (deels) bewaard gebleven.